Doorgaan naar content

NCK 2025

Goed getraind en tot in de puntjes voorbereid reden ook dit jaar weer zes Gaulisten richting de Flevopolder, voor ruim een uur afzien in elkaars wiel. Het was een winderige dag waarin zon en stortbuien elkaar in hoog tempo afwisselden. Alles wees op een legendarische editie.

De tent stond nog niet of de eerste bui diende zich al aan, tegelijk met de eerste renners. De spanning was van de gezichten af te lezen. Inrijden op de weg zat er niet in; daarvoor was het weer te slecht. Gelukkig bood de Tacx uitkomst. De nieuwe tenues werden uitgepakt en aangetrokken — ze pasten vrijwel iedereen perfect. Alleen Mark had eigenwijs de maataanwijzing genegeerd. Zijn TT-pak zat als een rompertje.

Volgens een strak schema klommen de renners op de Tacx en draaiden hun programma af. Er werd gegeten, gedronken en gelachen, maar langzaam werd de sfeer serieuzer. Het wedstrijdplan werd nog eens doorgenomen. De bekende afspraak werd herhaald: er wordt bij pech alleen gewachten op de sterksten. Het plan was, zoals altijd, om niet te hard te starten. Het parcours kende een paar venijnige stroken waar de wind vrij spel had over het kale landschap. Zo lang mogelijk bij elkaar blijven was het devies.

De rit naar de start verliep vlekkeloos, al stonden we op het meest verlaten punt van een industrieterrein. Arjan en ik pikten met de volgauto de renners op bij het uitrijden van Biddinghuizen. Daar gingen ze: Albert de Vries, Ron Timmersmans, Mark ten Cate, Bouwe Kuin, Erik Hagting en Eelke de Jong.

De eerste strook was voor de wind. Het ging meteen hard — te hard? Was de afspraak al vergeten? Na vijf kilometer sloeg het weer om. Vanuit het niets brak de hel los. Stortregen en windvlagen van kracht 6 teisterden het treintje. Renners kwamen uit positie om het stuur met twee handen vast te grijpen. De eerste gaten vielen.

“Wachten!” klonk het. “WACHTEN!”

In de chaos moest Mark al vroeg lossen. Gedesillusioneerd bleef hij alleen achter in de polder. Vanuit de volgauto zagen we dat vooraan niet doorhad wat er achter gebeurde. De koers ging verder.

Opvallend was Bouwe, die telkens als hij afzakte flink moest spugen. Later bleek dat hij voortdurend moest overgeven, maar met het uitspugen ervan netjes wachtte tot hij achterin reed. Je moet er wat voor over hebben…

De tijdrit werd er een van onregelmatigheid. De wind dicteerde alles: stoempen en vliegen wisselden elkaar in rap tempo af. Ondanks alles bleef het tempo hoog — knetterhard.

Met nog tien kilometer te gaan loste Ron. Onverwacht, want hij draaide daarvoor nog een stevige kopbeurt. Het bleek zijn laatste inspanning. Vier renners over — en dus geen ruimte meer voor fouten. De tijd van de vierde telt.

De trein raasde door. Een groot kruispunt lag stil voor de koers. Nog vijf kilometer. Een gemeen viaduct brak het ritme; zelfs Erik kreeg het daar lastig. Daarna vol voor de wind. De snelheid liep op richting de 60 km/u. Terug naar Biddinghuizen.

Arjan en ik begonnen te twijfelen aan onze eigen waarneming. Gingen ze echt zó hard? In het dorp moest de volgauto het parcours verlaten. De finish zagen we niet. Maar de tijd wel: 56:54. Een twaalfde plek. Beste uitslag in jaren. Ruim voor Kannibaal A, Tandje Hoger en CSG. Dikke proficiat!

Terug bij de tent werd de ploeg herenigd. Ook de mannen die zich hadden opgeofferd deelden in de vreugde, al stond de teleurstelling bij sommigen nog op het gezicht. Dat verdween snel. In Groningen werd het resultaat gevierd met een traditioneel bezoek aan de Draaibar — waar opvallend genoeg niemand was. Dat werd later ruimschoots goedgemaakt.

Het seizoen zat erop. De remmen gingen los. Het bleef nog lang onrustig in Groningen.